In een vlaag van paniek vluchtte hij naar de schuur achter het huis. Hij greep een geweer van de muur en laadde het met trillende handen, terwijl hij de deur op slot draaide. Hij hoorde een vreemd, gierend geluid boven zich, alsof de lucht zelf werd opengereten.

Lachend en napratend over hun avontuur, stapten de jongens op hun fietsen. De duisternis was diep en onheilspellend, verlicht door de zwakke schijnwerpers van hun koplampen. Will nam de kortere weg door het bos, een pad dat ze gekscherend 'Mirkwood' noemden.

Toen het licht in de schuur plotseling fel oplaaide en weer doofde, was Will Byers verdwenen. Alleen de eenzame schaduw van zijn fiets, die nog steeds in het bos lag met het wiel dat langzaam ronddraaide, herinnerde aan zijn aanwezigheid. De zoektocht naar Will was zojuist begonnen, maar de duisternis die hem had meegenomen, was groter dan iemand in Hawkins ooit had kunnen vermoeden.

"Hallo?" riep hij met een schorre stem, maar alleen de echo van zijn eigen angst gaf antwoord.

Vlak voor hem flitste een gedaante over het pad. Will kneep instinctief in zijn remmen, waardoor zijn fiets slipte en hij in de berm belandde. Hij krabbelde overeind, zijn hart bonzend in zijn keel. In de verte zag hij iets... iets dat niet menselijk was. Een lange, uitgemergelde schim met ledematen die veel te lang waren.